Die ochtend, op de dag van de abortus, was hij emotioneel. Vanaf het moment dat hij wakker werd huilde hij. Hij vertelde me dat hij het kindje eigenlijk ook wel wilde, maar dat hij niet wist hoe hij daarmee om moest gaan. Daarmee bedoelde hij vooral zijn familie. Hij was bang. Bang dat er dingen zouden gebeuren als ik het kindje zou houden. Dat hij zelf dingen zou doen waar hij later spijt van zou krijgen. Hij wilde zichzelf beschermen. Hij moest immers ook voor zijn moeder en zus in Marokko zorgen. In zijn ogen was er geen andere uitweg meer. Daarom, zei hij, moest hij hard zijn.
Ik haatte hem.
Hoewel ik begrijpend knikte, haatte ik hem. Om zijn zwakte. Om zijn familie. Om het kruipen voor hen.
Onderweg naar de abortuskliniek zat ik alleen maar te huilen. Ik hoopte dat de auto een ongeluk zou krijgen. Dat we van de weg zouden raken. Het liefst het water in. Hoe dodelijker, hoe beter. Ik had geen zin meer in het leven. Tegen mijn wil moest ik mijn kindje laten aborteren. Na tien weken van terreur, afgewisseld met dit soort verklaringen, kon ik nog steeds niet begrijpen waarom. Ik wist zeker dat ik een goede moeder zou zijn.
Toen we bij de kliniek aankwamen moesten we ons melden en plaatsnemen in de wachtkamer. Na een tijdje kwam er een vriendelijke vrouw met kort blond haar naar ons toe.
“Jacqueline? Loop maar mee.”
Een steile trap verbond de wachtkamer met het behandelgedeelte boven. In de eerste kamer stond een bureau met een computer. De vrouw met het korte blonde haar ging achter het bureau zitten. Wij namen plaats tegenover haar.
Ze vroeg waarom ik de behandeling wilde laten uitvoeren.
Ik vertelde haar dat ik werd gedwongen. Dat hij het niet wilde vanwege zijn familie. Dat ik het kindje juist wél wilde houden en alles had gedaan om het te redden, maar dat hij geen uitweg zag. Ze noteerde alles in de computer. Ze zei dat ze het heel naar vond, maar dat ze niet wist wat ze in deze situatie voor ons kon betekenen. Ze bood haar ‘welgemeende’ excuses aan.
Daarna vroeg ze of ik door wilde gaan met de behandeling.
Ik antwoordde huilend:
“Heb ik een keus?”
Ik keek hem verwijtend aan. Hij keek strak voor zich uit naar het bureau. Zijn neusvleugels trilden. Zijn kaken waren gespannen. Zijn ogen rood doorlopen.
Mijn hart begon sneller te kloppen. Een misselijk gevoel trok door mijn lichaam. In mijn hoofd tolden de gedachten.
Diep van binnen schreeuwde ik:
Nee. Nee. Nee.
Ik wil dit kindje houden. Ik wil mama zijn. Ik wil dit niet. Ik haat je. Ik haat je. En je familie erbij.
Maar als versteend stond ik op en liep mee naar de behandelkamer.
Dit alles speelde zich af in een abortuskliniek – een centrum voor geboorteregeling, drie dagen vóór mijn eigen verjaardag.
Precies zes jaar later moest ik er opnieuw naartoe. Dit keer om mijn dossier op te halen voor het politieonderzoek.
Ik heb die dag nooit “ja” gezegd tegen de behandeling.
De assistente stond naast me en huilde terwijl de ingreep werd uitgevoerd. Helemaal toen ik “STOP” riep en de arts ( ik kan er geen ander woord voor vinden dan aborteur) mij vertelde dat het te laat was. Dat de weekmakers al waren ingebracht en dat mijn baarmoeder geen zwangerschap meer zou kunnen dragen.
De kliniek wist van de dwang. Dat staat zwart op wit in mijn dossier. Ze hebben het aangehoord. Ze hebben het genoteerd. En uiteindelijk hebben ze de behandeling toch doorgezet.
Twee-en-twintig jaar later voelt het nog altijd alsof het gisteren was.
De meeste trauma’s uit die periode heb ik in de loop der jaren een plek kunnen geven. Ik heb geleerd te leven, te werken, te lachen en vooruit te kijken. Maar sommige dagen blijven een litteken dat nooit helemaal dichtgaat. Deze dag hoort daarbij.
Misschien is dat ook wat veel mensen niet begrijpen. Voor de buitenwereld lijkt het alsof een verhaal op een gegeven moment “afgesloten” is. Alsof je na therapie, na een rechtszaak of na genoeg jaren simpelweg weer doorgaat met je leven. Alsof het hoofdstuk dan klaar is.
Maar zo werkt trauma niet.
Als slachtoffer draag je de gevolgen levenslang met je mee. Niet elke dag even zwaar, maar altijd ergens aanwezig. Het zit in bepaalde data op de kalender. In herinneringen die ineens boven komen. In momenten waarop je weer moet vechten om de littekens van het verleden gesloten te houden.
En dat kost energie. Soms meer dan mensen zien.
Toch sta ik hier nog steeds. Ik leef mijn leven, ondanks alles wat er gebeurd is. Maar het verleden verdwijnt niet. Het wordt onderdeel van wie je bent.
En sommige dagen ,zoals deze, herinneren je daar onverbiddelijk aan.
Maak jouw eigen website met JouwWeb